De meesten beginnen hun verhaal bij het begin. Ik begin bij wat voelt als het begin van het einde. Ik ben tenslotte altijd al een dwarsligger geweest, dus laten we ook dit keer anders beginnen dan anders.
Ik noem het het begin van het einde, maar wanneer weet je eigenlijk dat je daar bent?
Voor mij was dat het moment waarop ik besefte dat ik geen keuze meer had. Of beter gezegd: één keuze. Deze keuze… of het zou mijn dood worden.
Ik zat al vijf jaar in deze situatie.
De eerste signalen zag ik al vroeg, maar ik wilde ze niet en durfde er niet in te geloven.
Ik dacht dat ik hem kon veranderen als ik maar genoeg mijn best deed. Het lag tenslotte aan mij, dacht ik.
8 september – 08:00 uur
Ik lig op de bank na een nacht vol angst. Ik ben misselijk van de stress. Mijn handen trillen van de spanning, en mijn hart lijkt uit mijn borstkas te bonzen. Mijn hele lichaam doet zeer, ik ben uitgeput. Ik kan niet meer, dit kan niet meer. Ik dacht regelmatig aan de dood. Dat als mij dat nu zou overkomen mij dat verdomt goed zou uitkomen. Zo uitgeput was ik.
Ik wacht tot mijn dochter wakker wordt. De hele nacht heb ik gepiekerd over wat ik moet doen. Alle opties die met hulpverlening zijn besproken voelen niet als echte opties. Eerlijk gezegd voelt het alsof ik helemaal geen keuze heb. En toch, zegt alles in mij dat ik nú moet kiezen. Want anders wordt dit mijn dood.
Ik raap mijn moed bij elkaar. Vermijd ieder contact met haar vader. En begin mijn spullen in tassen te stoppen. Het gaat moeizaam. Mijn bijna driejarige dochter klampt zich vast aan mijn been. “Mama, niet weggaan,” zegt ze. Ik buig me naar haar toe en fluister:
“Ik laat je nooit alleen. Je gaat met mij mee. Maar je moet nu heel stil zijn.”
Mijn lieve meisje laat me geen seconde meer los, maar ze luistert.
Ik pak alleen het hoognodige. Ik wil weg. Dan gaat de deur van de caravan open. Hij staat daar. Ik zie de woede al in zijn ogen en houding voordat hij iets zegt. Hij komt dichtbij staan. Te dichtbij. En buigt zich over mij heen en kijkt denigrerend naar beneden. Zonder dat hij één vraag te stelt begint hij weer te schelden en te dreigen. Ik moet van hem de tassen uitpakken want volgens hem heb ik niet zelf het recht om te beslissen of ik vertrek. Ik ben tenslotte van hem en daar heb ik naar te luisteren.
Mijn lieve en nog oh zo kleine dochter kijkt toe hoe haar moeder tot op het bot toe word uitgescholden met de meest ergste ziektes en doodswensen.
Alsof de avond ervoor nooit is gestopt.
Ik vraag hem nog één keer om te stoppen.
Maar dat maakt het alleen erger. En zelfs op dat moment, twijfel ik.
Ligt het aan mij? Maak ik het erger dan het is? Moet ik gewoon gehoorzamen? Wie wil mij nou nog? Ik ben toch niks waard. En hij is de vader van mijn dochter, zij heeft hem toch ook nodig? Dan kan ik toch niet zomaar weggaan?
Terwijl die gedachten door mijn hoofd razen, gaat hij door en neem ik nog steeds geen werkelijk besluit. Ik lijkt een soort te bevriezen. Zijn stem komt ook steeds meer op de achtergrond, mijn zicht word wazig en ik lijk mijn hart te kunnen horen kloppen zo hart gaat mijn hart te keer. Omdat ik niet reageer op hem, richt hij zich op onze dochter. Op zijn eigen bloed eigen dochter tenslotte. En dan breekt er iets bij mij, mijn besluiteloosheid is ineens weg. Ik weet wat ik moet doen en ga er voor.
Hij schreeuwt naar haar dat haar moeder ondankbaar is omdat ik geen seks wil. Dat ik daarom niet van hem houd. Dat ik niet goed ben in mijn hoofd. Dat ik het niet verdien om te leven. Terwijl ik in het drama meegezogen word vraag ik mij af wat er in haar kleine hoofdje nu zou om gaan. Hoe moet dit voor haar zijn geweest? Dat haar eigen vader de doodwens over haar moeder uitspreekt?
En daar, precies daar, was het moment. Het begin van het einde. Ik wist het ineens zeker:
als ik nu niet ga, dan overleef ik dit niet. Dan zal hij overgaan tot daden.
Ik wacht tot hij klaar is met zijn tirade. Zet mijn dochter rustig op de bank, alsof er niets aan de hand is. Ik praat tegen haar over wat we zogenaamd nog gaan doen op de camping. Ondertussen pak ik mijn tassen weer uit zodat hij niets vermoedt.
Hij raakt geïrriteerd door het geluid dat ik in de caravan aan het maken ben. Hij wil slapen, hij moet tenslotte nog zijn roes van gister avond uitslapen op klaarlichte dag. Maar precies dit is mijn moment. Ik ga startklaar naast mijn dochter zitten. Wacht tot ik zeker weet dat hij slaapt. Ik bel mijn moeder en fluister. “Je moet me nu komen halen. Ik leg later alles uit.”
Dan ren ik. In mijn pyjama op slippers. Met mijn haar in een knot. Op een bloedhete septemberdag s’ochtends vroeg over de camping. Met mijn meisje van nog geen 3 jaar in mijn armen. Ook zij heeft haar pyama nog aan. Zelfs haar knuffel vergeten wij, maar ook zij voelde dat het niet het moment was om daarvoor nog terug te gaan.
Mijn hele lichaam voelt uitgeput. Mijn ondergewicht en gebrek aan spierkracht en energie maakt elke stap zwaar. Tranen stromen over mijn wangen. Ik ren over de camping langs allemaal caravans waar men hun ochtend koffie aan het drinken is. Iedereen kijkt, maar niemand reageert of bied hulp aan. De camping is twee kilometer lang en het voelt als een eeuwigheid.
Elke stap denk ik: nu of nooit.
Zonder spullen.
Zonder plan.
Maar met één zekerheid.
Wij gaan weg.
Op weg naar een nieuw begin.
Ons begin van het einde.
Geef een reactie